Het Vlaamse fokkerijbesluit
Vanaf 1 juli 2025 is het nieuwe Vlaamse fokkerijbesluit van toepassing op alle honden (en katten) die in Vlaanderen zijn geboren en vanaf die datum met een stamboom worden verkocht. Honden die in andere regio's van het land zijn geboren, geïmporteerde honden en honden die zonder stamboom worden verkocht, vallen dus niet onder dit besluit.
De betrokken honden mogen alleen met stamboom worden verkocht onder de volgende voorwaarden:
Wat is het doel van dit besluit?
Het uiteindelijke doel van dit besluit is het voortbestaan van de verschillende rassen te waarborgen door verantwoord fokken te stimuleren dat diversiteit bevordert en alleen honden of nesten uitsluit die schadelijk kunnen zijn voor het ras, zelfs als dit in sommige gevallen in strijd is met de rasstandaarden.
Een korte geschiedenis
Tot het begin van de jaren 2000 maakte men zich niet al te veel zorgen over de rampzalige gevolgen die ‘modetrends’ konden hebben voor de gezondheid van honden.
In 2008 zond de BBC een documentaire uit (https://documentaryheaven.com/bbc-pedigree-dogs-exposed/) die veel mensen letterlijk bewust maakte van het feit dat de fokkerij een zeer verkeerde richting uitging.
In 2012 concludeerde een studie van de Universiteit van Leuven (https://lirias.kuleuven.be/bitstream/123456789/358026/3/RapportInteeltGenetischeDiversiteitHondenBelgi%C3%AB.pdf) al dat “maatregelen om de diversiteit binnen rassen te behouden of te vergroten een prioriteit moeten zijn in de fokkerij” en dat “het gebruik van populaire reuen moet worden beperkt”.
Tussen 2015 en 2018 had de Vlaamse Fokkerijcommissie, soms in samenwerking met de SRSH, al het project “Rasfiche” gelanceerd, waarover we destijds uitgebreid hebben bericht, en had ze ook een bijzonder interessante database ontwikkeld om combinaties te kunnen kiezen die de rasdiversiteit zouden vergroten. Deze projecten stonden op het punt om te worden afgerond toen in 2019 een van de partijen het hele project abrupt stopzette.
Ondertussen is de problematiek rond het fokken van honden en katten in Vlaanderen overgeheveld van het ministerie van Landbouw naar het ministerie van Dierwelzijn.
Het project ‘Breeding Healthy Pets’ (letterlijk: gezonde huisdieren fokken - https://sites.google.com/view/breedinghealthypets/homepagina?authuser) werd opgestart door de universiteiten van Leuven en Gent en diende als basis voor het fokkerijbesluit (https://www.vlaanderen.be/honden-en-katten-kweken/fokkerijbesluit-honden-en-katten).
Fokprogramma's
Fokprogramma's (per ras) worden doorgaans opgesteld door fokkers of rasverenigingen in samenwerking met een coördinerende vereniging, die het fokprogramma indient bij het ministerie van Dierenwelzijn. In eerste instantie laat het ministerie het project controleren door Breeding Healthy Pets, dat het project analyseert op erfelijke aandoeningen en de prevalentie daarvan. Op basis van de opmerkingen van Breeding Healthy Pets wordt het project teruggestuurd naar de coördinerende vereniging en naar de initiatiefnemer van het project (de rasvereniging of een fokker). Na overleg en aanpassingen wordt het project teruggestuurd naar het ministerie, waar het nog wordt voorgelegd aan een door de minister benoemde commissie van deskundigen, bestaande uit vertegenwoordigers van de overheid, universiteiten, dierenartsenpraktijken en de honden- (en katten) sector. Het advies van deze commissie wordt teruggestuurd naar het ministerie, dat beslist over de inhoud en deze op zijn website publiceert.
Een fokprogramma bestaat uit algemene doelstellingen, verplichte en aanbevolen tests, en voor elke test de frequentie, de methode en de minimumleeftijd waarop de test kan worden uitgevoerd. Voor elke test is er een fokadvies. Dit advies kan positief, voorwaardelijk positief of negatief (fokverbod) zijn. Er wordt ook een gedetailleerd algemeen advies gegeven waarin bijvoorbeeld wordt uitgelegd hoeveel voorwaardelijk positieve adviezen kunnen worden toegestaan of hoe het zit met inteelt.
Voor fokkers of iedereen die met zijn hond een nest wil fokken en zich niet op zijn gemak voelt met de uitvoering van het fokprogramma, bepaalt de wet dat de stamboekverenigingen opleidingen moeten geven aan personen voor de uitvoering van de fokprogramma's.
Het fokprogramma houdt ook rekening met de noodzakelijke genetische diversiteit. Als de genetische diversiteit binnen een ras te laag is, ontstaan er na verloop van tijd gezondheidsproblemen. Fokprogramma's houden hier in zekere mate rekening mee door de toename van de inteeltgraad te beperken tot 1%, bepaalde tests als “voorwaardelijk positief” te kwalificeren en aanbevolen tests op te nemen (in gevallen waarin de prevalentie nog niet met zekerheid is aangetoond).
Het doel is om zo min mogelijk honden uit te sluiten, zodat voldoende genetische diversiteit behouden blijft, bijvoorbeeld door te fokken met een hond die drager is van een gen en een hond die dat gen niet heeft.
Ongeacht de fokprogramma's voorziet het decreet in twee essentiële zaken op het vlak van genetische diversiteit. Bij de afgifte van een nieuwe stamboom en dus bij de registratie van de hond of kat in een stamboek moet alle stamboomgegevens en alle tests die op het dier en zijn bekende voorouders zijn uitgevoerd, worden vermeld.
Ook mag de registratie van een hond of kat of een van hun nakomelingen waarvan de stamboom door een andere stamboekvereniging is afgegeven, niet langer worden geweigerd. Dit betekent dus het einde van een zekere vorm van protectionisme.
Wat de rasstandaarden betreft, worden alleen maatregelen om erfelijke ziekten bij nakomelingen uit te bannen opgenomen in de fokprogramma's. Er moet worden opgemerkt dat in veel rasstandaarden bijvoorbeeld wordt verwezen naar de grootte van de hond of de grootte van de oren en tal van andere zaken die in feite een belemmering vormen voor de genetische diversiteit.
De controle op de uitvoering van de fokprogramma's ligt volledig in handen van erkende stamboekverenigingen. Bij overtredingen kunnen zij hun erkenning verliezen.
Er zijn ook individuele sancties voorzien voor fokkers die na 1 juli 2025 honden met stamboom verkopen die niet aan het fokprogramma voldoen.
De hond voldoet niet aan het fokprogramma
Als puppy's uit een combinatie waarbij de vader, de moeder of beiden niet voldoen aan het fokprogramma (bijvoorbeeld omdat een test niet in orde is of omdat er simpelweg een test ontbreekt), krijgen deze puppy's geen stamboom. Ze krijgen wel een stamboomcertificaat of een geboortecertificaat met alle gegevens over de hond en zijn ouders, maar er wordt niet vermeld dat de puppy's voldoen aan het fokprogramma. Zijn deze puppy's dan verloren voor verdere fokkerij? Helemaal niet. Als u een van deze pups wilt fokken, hoeft u hem op het juiste moment alleen maar de tests van het fokprogramma te laten afleggen en een geschikte combinatie te kiezen. Deze honden kunnen dan pups met stamboom krijgen en zijn niet verloren voor de fokkerij. Bovendien dragen ze bij aan het behoud van de genetische diversiteit.
Ouderlijk toezicht
Het fokkerijbesluit bepaalt dat elke erkende fokkerijvereniging elke hond en kat en hun nakomelingen in een centrale database moet registreren. De afstamming moet worden gecontroleerd door middel van een ouderlijk toezicht, een DNA-test die bepaalt of een puppy of kitten wel degelijk een nakomeling is van zijn vader en moeder.
Er bestaan twee tests voor ouderschapscontrole. Het STR-systeem (Short Tandem Repeat), dat al lang door genealogische verenigingen wordt gebruikt, en het nieuwe SNP-systeem. Om dit nieuwe systeem in te voeren, heeft het ministerie het decreet gewijzigd en bepaald dat als de ouderschapscontrole wordt uitgevoerd met het nieuwe SNP-systeem (Single Nucleotide Polymorphism), monsters moeten worden genomen van alle nakomelingen, maar dat de test slechts op één monster moet worden uitgevoerd als er één tot vijf nakomelingen zijn, op twee monsters als er zes tot tien nakomelingen zijn en op drie monsters als er meer dan tien nakomelingen zijn. De keuze van het monster of de monsters wordt gemaakt door de genealogische vereniging of het laboratorium. Als uit de test of een van de tests blijkt dat er geen verwantschap is met de opgegeven ouders, moeten alle monsters worden getest. Als de verwantschapstest wordt uitgevoerd met de oude STR-methode, moeten alle nakomelingen worden getest.
Laten we kort kijken naar de verschillen tussen de twee tests. STR is een kort stukje DNA dat wordt herhaald. Deze test wordt gebruikt voor gerechtelijke onderzoeken en afstammingsonderzoek. SNP is de wijziging van een letter in het DNA en wordt vooral gebruikt om genetische kenmerken, erfelijke ziekten en ook afstamming te onderzoeken. De nieuwe SNP-test is beter geschikt voor het analyseren van afstamming en de impact op de genetische diversiteit.
Bloedverwantschap en toename van bloedverwantschap
Alle goedgekeurde fokprogramma's bevatten naast tests en onderzoeken ook informatie over bloedverwantschap en de toename daarvan. Het fokkerijbesluit bepaalt hierover dat een vrouwelijk dier niet mag worden gedekt door haar grootvader, vader, broer, halfbroer, zoon of kleinzoon. Dit is eenvoudig te controleren door de twee stambomen te vergelijken.
Ten tweede mag de inteeltcoëfficiënt niet hoger zijn dan 1% ten opzichte van de inteeltcoëfficiënt van beide ouders, berekend over minimaal drie generaties. Als de gegevens voor minder dan drie generaties bekend zijn, is de combinatie alleen toegestaan als er geen gemeenschappelijke voorouders zijn aan zowel de vader- als de moederskant. Bovendien moeten ALLE fokadviezen positief zijn.
Voorwaardelijk positieve adviezen zijn in dit geval niet van toepassing.
Hoe weet u of de beoogde combinatie conform is? Eerst moet u informatie inwinnen bij uw genealogische vereniging, die u hierbij moet helpen. Als u bijvoorbeeld een buitenlandse man wilt gebruiken die nog niet bekend is bij uw genealogische vereniging, kunt u deze coëfficiënt zelf berekenen op de website van de Vlaamse Fokkerij Commissie: https://www.dogdata.be/Inteelt.aspx. Deze website is alleen in het Nederlands beschikbaar.
Wat moet u doen als het percentage bloedverwantschap niet aan de eisen voldoet en u dus geen stamboom krijgt? Soms moet deze coëfficiënt over meer dan 3 generaties worden berekend. Als u op basis van de stambomen van vader en moeder een coëfficiënt van 0% hebt, maar voor de nakomelingen een stijging van de coëfficiënt met 2%, voldoet u namelijk ook niet aan de eisen. De berekening wordt dan uitgebreid tot 4 of 5 of zelfs 6 generaties en vaak komt u dan uit op een hogere coëfficiënt, maar met een kleinere stijging van de coëfficiënt van de nakomelingen. Dit komt doordat er vroeger veel meer bloedverwantschap was dan de laatste jaren. Indien nodig kan uw stamboomvereniging u hierbij helpen.
Het is dus belangrijk om dit te controleren voordat u een combinatie overweegt, om te voorkomen dat u puppy's krijgt zonder stamboom.
Heupdysplasie en heuplaxiteit
Voor veel rassen voorziet het fokprogramma in een test op heupdysplasie (HD) als verplichte of aanbevolen test. De test is in feite een röntgenfoto van de heup, die eenmalig moet worden uitgevoerd wanneer de hond 1 jaar oud is. Als voor de laxiteitstest wordt gekozen, moet de puppy 6 maanden oud zijn.
Onze Scottish Terriërs zijn niet onderworpen aan deze tests in het kader van ons fokprogramma.
We merken echter op dat de laxiteitstest sinds 1 januari 2025 verplicht is in België voor alle fokhonden, indien de heupdysplasie getest moet worden in het fokprogramma van het ras.
Ingevroren sperma
Wat gebeurt er met het ingevroren sperma van een mannetje dat niet aan een of meer tests van het fokprogramma voor zijn ras heeft deelgenomen? Voor zover dit sperma vóór 1/1/2025 is ingevroren, mag het alleen worden gebruikt bij een vrouwtje dat alle tests heeft doorstaan en alle tests positief of voorwaardelijk positief zijn.
DNA-tests – Recessieve en dominante erfelijkheid
De meeste fokprogramma's schrijven DNA-tests voor. Deze tests sporen recessieve of dominante erfelijke aandoeningen op. Elke hond erft twee genen, één van zijn vader en één van zijn moeder.
Om een recessieve erfelijke aandoening te krijgen, moet een nakomeling zowel van zijn vader als van zijn moeder hetzelfde defecte gen hebben geërfd.
Er zijn dus drie mogelijkheden:
· De hond heeft zowel van zijn vader als van zijn moeder de goede genen/allelen geërfd: hij is gezond (vrij)
· De hond heeft een goed gen/allel van de ene of de andere ouder geërfd: hij is een gezonde drager
· De hond heeft twee slechte genen/allelen geërfd: hij is ziek
Voor de voortplanting kunnen twee gezonde honden of een drager met een gezonde hond worden gebruikt.
Er kan ook een zieke hond worden gebruikt met een gezonde hond, op voorwaarde dat de ziekte geen invloed heeft op het welzijn van de zieke hond of het nageslacht.
Alle andere combinaties zijn verboden.
Voor onze Scottish Terriërs is een bekende recessieve erfelijke aandoening de ziekte Von Willebrand Type III (VWD3). Scottish Cramp is ook een recessieve erfelijke aandoening, maar helaas bestaat er op dit moment geen screeningtest voor.
Voor dominante erfelijke aandoeningen zijn alleen combinaties met twee gezonde honden (zonder het defecte gen/allel) toegestaan. Alle andere combinaties leiden tot zieke puppy's.
Bij de Scottish Terriërs is CMO (Craniomandibulaire osteopathie, beter bekend als ‘Lion cheeks’) een dominante erfelijke aandoening.
Wie mag tests en onderzoeken uitvoeren?
Elke dierenarts is bevoegd om de vereiste onderzoeken uit te voeren, op voorwaarde dat hij over de nodige vaardigheden en apparatuur beschikt om de kwaliteit en betrouwbaarheid van de resultaten te garanderen. Op termijn kan het ministerie aanvullende voorwaarden opleggen aan dierenartsen en laboratoria.
Hoewel het decreet geen specifieke bepalingen bevat, wordt ten zeerste aanbevolen om een dierenarts te raadplegen voor het afnemen van DNA-monsters. De dierenarts vult ook de nodige documenten in en vraagt het laboratorium om op het testresultaat te vermelden dat de afname door een dierenarts is uitgevoerd. Het is aan de stamboekvereniging om de tests te controleren en zij kan u dus verplichten de afname door een dierenarts te laten uitvoeren.
U bent ook vrij in de keuze van het laboratorium dat de DNA-tests uitvoert. Sommige stamboekverenigingen hebben overeenkomsten met bepaalde laboratoria, waardoor u een gunstiger prijs krijgt voor zowel afstammingstests als tests die voor het ras verplicht zijn. De resultaten van deze tests worden eerst in de databank van de stamboekvereniging opgeslagen en vervolgens in de centrale databank van het ministerie.
Conclusies
Vanaf 2014 verbiedt Nederland het fokken van dieren met gezondheidsproblemen als gevolg van hun uiterlijk. Ook in Nederland wordt in 2019 het fokken van honden met een “korte snuit” verboden. In België is in 2021 een verbod ingegaan op het fokken van katten van het ras “Scottish Fold” vanwege een ernstige afwijking van het kraakbeen (die niet beperkt blijft tot de oren). In Noorwegen is in 2023 een verbod ingegaan op het fokken van Cavalier King Charles-honden en andere honden met een korte snuit.
In 2022 publiceerden we een artikel waarin we de aandacht vestigden op de ontsporing bij rassen zoals de Duitse herder, de mopshond, de teckel, de boxer, de bullterriër en de Engelse buldog.
In al deze voorbeelden worden deze rassen gefokt, hetzij omdat ze in de mode zijn, hetzij om te “presteren” in hondenshows, met fysieke kenmerken die schadelijk zijn voor de gezondheid van het dier.
Het uiteindelijke doel van het fokkerijbesluit (en eerdere mislukte pogingen) is het voortbestaan van rassen te waarborgen door een grote diversiteit te garanderen en gezonde honden te fokken. Veel lezers zullen denken dat daar nog tijd genoeg voor is. Maar vergis u niet, het is bijna middernacht (als het al niet te laat is). Veel rassen staan in het rood.
In 2019 hebben we de database over de voortplanting van de Scottish Terriërs in België kunnen bekijken. Bijna 70% van de geboortes was afkomstig van hetzelfde mannetje.
Honden die afstammen van dit mannetje geven hun genetisch materiaal door, zowel het goede als het slechte. En na verloop van generaties komen deze nakomelingen direct of indirect terecht in veel stambomen, waar het goede zich op het goede voegt en het slechte op het slechte. Zo krijg je soms mooie, maar zieke honden.
De rol van rasstandaarden en schoonheidswedstrijden is verderfelijk in deze ontwikkeling. Neem bijvoorbeeld onze Schotse Terriër: hij moet “kleine oren” hebben, dus gaan we dienovereenkomstig fokken en combinaties kiezen waarbij ten minste één kenmerk met kleine oren aanwezig is. Deze hond heeft misschien een ‘verborgen gebrek’, een zwakke spijsvertering, een zwakke blaas of een zwak hart. Maar dit mannetje zal veel worden gebruikt vanwege zijn kleine oren. Stel je eens voor welke problemen met inteelt en gezondheid er ongetwijfeld zullen ontstaan in de loop van de generaties.
Daarnaast is er zeker een reu die iets (te?) grote oren heeft, misschien een niet helemaal in orde staande patella luxatie of een positieve VWD3, maar verder gezond is. Deze hond kan worden gebruikt met een hond die deze gebreken niet heeft en zal bijdragen aan de diversiteit en het voortbestaan van het ras.
Een geringe genetische diversiteit leidt tot: